Een taal leren in één dag (en de rol van kennis bij het leren van een vreemde taal)

Gepubliceerd op 12 oktober 2026 om 12:28

Ik lees momenteel het boek Zeven talen in zeven dagen van Gaston Dorren. Daarin laat hij zien dat het mogelijk is om in 24 uur een taal te leren, mits deze voldoende verwantschap vertoont met de moedertaal. Zo zou je in zeven etmalen zeven talen kunnen leren. Ik kan het boek zeker aanraden. Niet alleen de inhoud is van hoog niveau, ook de schrijfstijl is uitstekend. Dorren biedt de lezer tal van handvatten om op creatieve wijze kennis een vreemde taal te verwerven. Bovendien is het boek een inspirerende bron voor docenten moderne vreemde talen (MVT) die hun leerlingen in aanraking willen brengen met taalbewustzijn en meertaligheid. Maar als MVT docent heb ik toch enige reserves en wil ik graag een nuancering aanbrengen.

Zelf spreek ik inmiddels vier talen redelijk vloeiend: Nedersaksisch, Nederlands, Frans en Engels. Ik begrijp dan ook goed wat hij bedoelt. Als je eenmaal veel kennis hebt van één taal, wordt het leren van een volgende taal eenvoudiger. Dat komt bijvoorbeeld doordat woorden een gemeenschappelijke oorsprong hebben, bepaalde taalregels tamelijk universeel zijn en talen veel cognaten bevatten. Maar ook doordat je als taalgebruiker steeds beter wordt in het afleiden van betekenissen uit de context en doordat het leren van vreemde talen je leervermogen verder kan ontwikkelen.

Maar, wat Dorren laat zien, geldt vooral voor de ontwikkeling van tekstbegrip en daarmee voor de schriftelijke receptieve vaardigheid: lezen. Voor de ontwikkeling van de mondelinge vaardigheden — luisteren en spreken — is meer nodig dan alleen een slimme manier om kennis te verwerven. Uiteraard staat kennisverwerving centraal bij het leren van een vreemde taal. Zonder kennis van vooral woorden en taalregels is taalbeheersing niet mogelijk. Tegelijkertijd zal iedereen kunnen beamen dat taalvaardigheid niet alleen draait om het verwerven van kennis, maar ook om het toepassen ervan in de praktijk. Tot zover is er weinig discussie mogelijk. Kennisverwerving en het leren toepassen van die kennis vormen belangrijke voorwaarden voor het ontwikkelen van taalvaardigheid.

In die zin verschilt het leren van een moderne vreemde taal niet wezenlijk van het leren bij andere schoolvakken. Ook daar verwerven leerlingen kennis en leren ze die toe te passen, bijvoorbeeld bij een praktische opdracht of het profielwerkstuk. En toch verschilt het leerproces bij een MVT wezenlijk van dat bij andere schoolvakken. We moeten daarbij onderscheid maken tussen enerzijds de schriftelijke vaardigheden (lezen en schrijven), die traditioneel veel aandacht hebben gekregen in het vreemdetalenonderwijs, en anderzijds de mondelinge vaardigheden (luisteren en spreken). Een cruciaal verschil tussen beide is de factor tijd. Bij schriftelijke vaardigheden beschikt de taalgebruiker doorgaans over voldoende tijd om een zin te begrijpen of een gedachte te verwoorden. Bij luisteren en spreken is die tijd er nauwelijks.

Bij luisteren en spreken is niet alleen voldoende kennis een essentiële voorwaarde, maar ook de mate waarin die kennis direct beschikbaar is. Hoeveel tijd heeft een taalgebruiker nodig om een gedachte om te zetten in gesproken taal (coderen) of gesproken taal te begrijpen (decoderen)? Als dat proces te veel tijd kost, bijvoorbeeld doordat de benodigde kennis niet snel genoeg beschikbaar is, kan de communicatie vastlopen. Kortom: bij luisteren en spreken speelt tijd een minstens zo fundamentele rol als de hoeveelheid kennis waarover iemand beschikt. Er worden niet alleen eisen gesteld aan de omvang van die kennis, maar vooral ook aan de mate waarin deze kennis actief oftewel meteen beschikbaar is. Zonder voldoende actieve kennis kun je niet goed spreken of luisteren, hoe omvangrijk je kennis ook is.

Juist deze mondelinge vaardigheden zijn de afgelopen jaren belangrijker geworden ten opzichte van de schriftelijke vaardigheden. Het is niet voor niets dat leerlingen tegenwoordig luisteren en spreken belangrijker lijken te vinden. Voor lezen en schrijven zijn de technologische hulpmiddelen immers zo ver ontwikkeld — denk aan vertaalsoftware en AI — dat communicatie ook mogelijk is met weinig tot geen eigen kennis van de betreffende taal. Dit heeft gevolgen voor het leerproces. Wanneer luisteren en spreken centraal staan bij het leren van een moderne vreemde taal, kunnen we niet langer volstaan met veel aandacht voor kennisverwerving en de toepassing van kennis in afzonderlijke opdrachten. Een succesvol leerproces moet vooral ook veel herhaling bevatten, zodat kennis niet alleen wordt opgeslagen, maar steeds sneller beschikbaar komt en daardoor actief kan worden gebruikt.

En juist daar schoten de leergangen tekort die de afgelopen vijftig jaar op scholen werden gebruikt, ook de zogenaamd communicatieve leergangen. Het gevolg? Leerlingen werden voldoende voorbereid op het eindexamen, waarin leesvaardigheid traditioneel een belangrijke rol speelt, ze verwierven veel kennis en leerden die onder meer bij schrijfopdrachten toe te passen, maar bleken vaak onvoldoende in staat om daadwerkelijk in de vreemde taal te spreken. Mijn ervaring is dat de gemiddelde leerling daar tegenwoordig steeds minder genoegen mee neemt. Dat is mijns inziens één van de verklaringen voor de afnemende belangstelling voor moderne vreemde talen in de bovenbouw. In de onderbouw leren leerlingen immers vooral vaardigheden die ze later minder direct nodig hebben — lezen en schrijven — terwijl ze juist willen leren spreken. En ze verwerven heel veel kennis van woorden en taalregels die ze niet adequaat (lees: snel genoeg) kunnen in zetten. Waarom zouden ze dan nog voor een MVT kiezen?

MVT-docenten die in de bovenbouw het roer omgooien, doen er daarom goed aan dat ook in de onderbouw te doen. Het onderwijs moet zo worden ingericht dat leerlingen aan het einde van klas 3 voldoende vertrouwen hebben in hun eigen mondelinge taalvaardigheid én in hun vermogen om die in de bovenbouw verder te ontwikkelen. Alleen dan is de kans groter dat ze gemotiveerd kiezen voor een vervolg waarin ze de taal daadwerkelijk leren gebruiken.

----------

Toelichting: In de cognitieve psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen declaratieve kennis (feiten, gebeurtenissen, enz. zoals grammaticaregels, woordbetekenissen.), procedurele kennis (kennis over hoe je iets moet doen, het uitvoeren van een proces zoals het formuleren van een zin of het begrijpen van een tekst) en geautomatiseerde kennis  waarbij procedurele kennis zo vaak toegepast is dat er bijna geen cognitieve belasting meer voor nodig is om de kennis in te zetten (bijvoorbeeld autorijden terwijl je een gesprek voert, een taal spreken zonder na te denken over de zinsbouw).

Met het activatieniveau van kennis bedoel ik de mate waarin deze kennis is geautomatiseerd oftewel de snelheid waarmee kennis beschikbaar komt en kan worden ingezet bij het gebruik van de vreemde taal.
Schrijven en spreken vragen een minder hoog activatieniveau van kennis omdat er meer tijd is en een zin eenvoudiger kan worden herlezen of herschreven.
Luisteren en spreken vragen een veel hoger activatieniveau van kennis omdat er door een gebrek aan tijd sprake is van een veel hogere cognitieve belasting. De spreker moet niet alleen nadenken over de inhoud maar ook over de code (taal) en heeft er baat bij dat het (de)coderingsproces voor een groot deel geautomatiseerd verloopt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.