Waarom doeltaalgebruik maximaliseren ?

Gepubliceerd op 13 mei 2026 om 12:24

Een belangrijk principe van AIM is maximaal (bijna 100%) doeltaalgebruik vanaf dag 1. Met de gebaren kan de docent, ook bij nieuwe taal, zorgen voor betekenis wat natuurlijk essentieel is als je een vreemde taal leert. Maar is het verstandig? Recent onderzoek naar meertaligheid in het klaslokaal leidde al tot een pleidooi voor meer aandacht voor ‘thuistalen’ in de les. En in Doeltaal-Leertaal pleit Sebastiaan Dönszelman voor een effectiever (en beperkter) gebruik van de doeltaal in de les: niet zozeer als voertaal maar meer als leertaal. Hoe moeten we dit kern-principe van AIM bezien in het licht van deze twee ontwikkelingen?

Laat ik beginnen met stellen dat beide invalshoeken waardevol zijn en een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan betere en leukere lessen voor leerlingen.

  • De aandacht voor thuistalen van leerlingen (of het nu talen zijn van kinderen met een migratieachtergrond of regionale talen), zo laat onderzoek zien, leidt ertoe dat meer kinderen zich ‘gezien’ voelen en dat ze positiever in de les zitten. Maar we moeten dit effect ook niet overdrijven. Zelf heb ik als native-speaker van het Nedersaksisch dat in mijn geboortedorp Hasselt gesproken werd (ik heb pas Nederlands geleerd vanaf mijn vijfde verjaardag) mijn thuistaal nooit gemist. Ik vond ik het geen enkel probleem om Nederlands te moeten spreken. En de vele Vietnamese kinderen die ik 40 jaar geleden in de klas had (bootvluchtelingen), hadden alleen maar de behoefte om goed Nederlands te leren om hun ambities (meestal advocaat of arts worden) te verwezenlijken. Maar gemiddeld gezien zal meer aandacht voor thuistalen ongetwijfeld tot een verbetering van het leerrendement leiden.
  • Ook de aandacht voor de doeltaal als leertaal is nuttig om de kwaliteit van het leerproces bij moderne vreemde talen te vergroten. Een saillant detail in dit licht is het feit dat doeltaal-leertaal in Nederland al door AIM werd geïntroduceerd werd, ver voordat het boek van bovengenoemde auteur verscheen: In de docentenboeken die horen bij de AIM-verhalen worden voortdurend didactische aanwijzingen gegeven om de doeltaal didactisch en taalbewust in te zetten door leerlingen te laten participeren, door de omgeving te gebruiken, door spreektempo en intonatie aan te passen, door herhaling en routines in te bouwen, door gericht taal te corrigeren, door de moedertaal slim aan te wenden, enz. Omdat bij AIM begonnen wordt met de gesproken taal, is dit ook noodzakelijk: Leerlingen moeten immers leren van de taal die in de les gesproken wordt en niet van de taal die ze in een boek kunnen lezen. Maar ook als je met een leerboek werkt en nieuwe taal in schriftelijke vorm geïntroduceerd wordt, laat het zich raden dat effectief doeltaalgebruik in de les, zoals hierboven beschreven, en zoals dat terug te vinden in het eerdergenoemde boek, een bijdrage kan leveren aan een verbetering van het leerrendement.

En toch heb ik mijn twijfels over het uiteindelijke effect als deze twee invalshoeken in de Franse les worden geconcretiseerd omdat ik van mening ben dat de winst die hiermee geboekt wordt leidt tot meer verlies op een ander gebied. Daarom blijf ik pleiten voor maximaal doeltaalgebruik: Ik bedoel niet ongericht doeltaal-voertaal, zoals in de praktijk voorkomt en waar Sebastiaan Dönszelman terecht kritiek op heeft, maar een combinatie van doeltaal-leertaal (à la AIM) en doeltaal-voertaal: Zoals Wendy Maxwell (auteur van AIM) in haar docentenboeken voortdurend benadert: The French-only rule. Door meer moedertaal/thuistaal-gebruik in de les zie ik verlies van leerrendement optreden op twee gebieden en ik zal dit in het vervolg toelichten. De kern van mijn betoog is eigenlijk: Vergeet niet dat we te maken hebben met pubers.

Interessant gegeven is dat Wendy Maxwell, toen ze de AIM-methodiek ontwikkelde, een ervaren docent was die al meer dan twintig jaar in het vak zat. Toen ik de vervolgmethodiek voor de bovenbouw, Français en action, ontwikkelde vanaf 2014, zat ik al meer dan dertig jaar in het vak. Het is dan ook geen wonder dat wij beiden bovenstaande regel (French only) voor onze lessen omarmden. Simpelweg omdat ervaren docenten weten dat andere regels niet zouden werken. In klassen met 20-30 leerlingen werken regels vooral goed als ze helder zijn en consequent worden toegepast. Zodra leerlingen over het toepassen van regels in discussie gaan, is het foute boel en verlies je veel tijd door de discussies maar zullen leerlingen ook sneller geneigd zijn om de regel niet serieus te nemen. Ik vond de zogenaamde ‘ligne magique’ bij AIM een fantastische vinding van Wendy: Soms plakte ik zelfs rode tape in de deuropening waar leerlingen dan overheen moesten stappen om deze ‘taalgrens’ weer goed in hun hoofden te krijgen. Iedereen wist dat er alleen maar Frans gesproken mocht worden. Niet dat ik de illusie had dat het ook daadwerkelijk altijd gebeurde (een docent kan immers niet alles zien/horen) maar ik wist zeker dat mijn leerlingen de regel serieus namen en alleen op onbewaakte momenten hun moedertaal gebruikten. Ervaren docenten weten dat als je pubers een vinger geeft, ze de hele hand pakken. Beter kun je ze gewoon geen enkele vinger geven. Dat is eenvoudiger te hanteren.

Maar is het dan zo dat doeltaal-voertaal onzin is en dat alleen doeltaal-leertaal (oftewel het gericht inzetten van doeltaalgebruik om de taal te leren) nut heeft als, zoals Sebastiaan Dönszelman beweert in zijn workshops?

Daar ben ik het volstrekt mee oneens. In mijn lessen van klas 1 tot en met klas 6 nam de hoeveelheid doeltaalgebruik steeds verder toe in allerlei ‘vrijere’ werkvormen en zag ik het doeltaalgebruik van leerlingen steeds actiever worden: Leerlingen gingen steeds vloeiender praten omdat ze de woorden steeds vaker actief hadden gebruikt in vrije situaties. Gericht doeltaalgebruik in de vorm van doeltaal-leertaal is uitstekend om nieuwe woorden en grammaticale structuren aan te leren maar ongericht (vrij) doeltaalgebruik in de vorm van doeltaal-voertaal is uitstekend om leerlingen te faciliteren de geleerde woorden en structuren zelf actief te gebruiken.

Maar is er niet een modus te vinden om toch ook aandacht voor thuistalen te hebben in de les (en voor diverse andere zaken zoals burgerschap, taalbewustzijn en cultuur die in de nieuwe kerndoelen meer aandacht krijgen) zonder dat dit tot verlies van leerrendement leidt?

Wellicht is dat mogelijk als het goed afgebakend zou worden in plaats en tijd en als het niet ten koste gaat van doeltaalgebruik. Ik denk dat bij een taal als Engels dit heel goed mogelijk is omdat er veel lestijd is. Maar voor Frans is de hoeveelheid lestijd in de onderbouw gemiddeld met 40% afgenomen in de afgelopen 30 jaar en ervaren docenten Frans veel tijdsdruk. Onderzoek laat zien dat blootstelling aan de taal essentieel is bij het leren van een vreemde taal En als je bedenkt dat je bij Frans volledig afhankelijk bent van de les (in tegenstelling tot Engels waar de leerling ook buiten de school wordt ondergedompeld), dan is elke minuut van de les waarin leerlingen niet aan de Franse taal worden blootgesteld, een gemiste kans.

Op 1 augustus 2025 ben ik gestopt als docent Frans. Ik heb me nooit beziggehouden met de nieuwe kerndoelen maar als ik nu nog actief zou zijn als docent, zou ik me daar ook niet mee bezighouden in de les als dat zou leiden tot minder doeltaalgebruik. Na 42 jaar weet ik ook dat ik ermee weg zou komen als ik dit zou doen. Niet dat ik geen respect heb voor kerndoelen, maar ik heb meer respect voor de eisen die aan mij gesteld worden door de schoolleiding (effectief en attractief lesgeven) en door de leerlingen (die de taal echt willen leren gebruiken). En in de huidige situatie met erg weinig lestijd kan ik de eisen van de overheid (kerndoelen) simpelweg niet combineren met die van de schoolleiding en de leerlingen.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.