Na 40 jaar als docent Frans, Engels en NT2 met leerlingen/studenten van VMBO-K tot universiteit, schrijf ik veel over wat ik geleerd en ontdekt heb over het leren van een vreemde taal. De belangrijkste ontdekking was dat je beter een taal kunt gebruiken om deze te leren dan dat je de taal gaat leren om deze te kunnen gebruiken (“from learning to use towards using to learn” was ook de titel van mijn proefschrift ). De artikelen die ik schrijf roepen veel herkenning en steun op maar er zijn ook enkele kritische lezers (fijn dat ze er zijn) die voortdurend roepen dat het bestuderen van de taal ook positieve kanten heeft die we niet moeten verliezen. In dit artikel wil ik wat meer uitleggen over dit perspectief.
Bovengenoemde critici bepleiten vooral het belang van het leerproces zelf ten gunste van het belang van het resultaat van dat leerproces: het leren van een vreemde taal zou vormend zijn doordat het de cognitieve capaciteiten van de leerling vergroot. Er wordt in dit verband vaak verwezen naar de Latijnse traditie waarbij het bestuderen van een (dode) vreemde taal zorgt voor het ontwikkelen van cognitieve functies van het brein. In de meeste gevallen komt het daarbij neer op het ontwikkelen van analytische functies waardoor de leerling vooral leert om logisch te redeneren en wordt er veel aandacht besteed aan het leren toepassen van taalregels en aan vertalen om dit doel te bereiken.
Mijn probleem met dit perspectief is dat taal primair een middel is om te kunnen communiceren. Ik bepleit daarom steevast het belang van het resultaat van het leerproces. Niet omdat ik het belang van het leerproces zelf niet belangrijk vind. In die zin geef ik deze critici gelijk: Het leren van een vreemde taal kan helpen bij het ontwikkelen van diverse breinfuncties en we moeten de vormende waarde van een vreemde taal in die zin niet onderschatten. Hierbij denk ik niet alleen aan de cognitieve vermogens maar ook aan allerlei burgerschapsdoelen die van belang zijn. De reden dat ik steevast het resultaat van het leerproces bepleit is dat het op dit vlak juist niet goed gaat als ik kijk naar vreemde talen als Duits en Frans. Als we kijken naar de aantallen leerlingen die Frans en Duits kiezen zien we het probleem: Het zijn er steeds minder. En daardoor hebben we ook steeds minder studenten die docent Frans en Duits willen worden: Een vicieuze cirkel die uiteindelijk zal leiden tot volledige marginalisatie van beide talen. Het aantal scholen dat beide talen aanbiedt in de onderbouw wordt al minder. Leerlingen moeten na klas 1 vaak al kiezen. En mijn inschatting is dat het tij alleen gekeerd kan worden door eindelijk eens serieus te kiezen voor het ontwikkelen van échte taalvaardigheid. Want dat was wat ik terugkreeg van mijn leerlingen die in 2014 massaal Frans kozen in V4 (63 i.p.v. 25) toen ik overstapte naar een effectievere en attractievere, meer impliciete methodiek: "We kiezen Frans omdat we eindelijk een taal écht leren spreken".
Al die goedbedoelde en waardevolle opmerkingen over de vormende waarde van het leren van een vreemde taal leiden tot niets als deze vreemde talen niet meer geleerd worden. En dat is de tendens: Frans en Duits worden bijna niet meer gekozen in de bovenbouw, het aantal lesuren Frans en Duits in de onderbouw neemt af én de motivatie van onderbouwleerlingen bij Frans en Duits neemt af zoals ik zelf in de laatste twee jaren van mijn actieve carrière (helaas weer met een traditionele methodiek) heb mogen ervaren: Leerlingen van nu willen écht iets leren. En ik ben met bovengenoemde critici van mening dat het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden door het leren van een vreemde taal ook betekent dat ze écht iets leren maar niet als deze talen verdwijnen.
Hoe kunnen we Frans en Duits redden van de ondergang? Door eindelijk eens vaart te zetten achter het veranderen van methodiek om ervoor te zorgen dat leerlingen het vertrouwen krijgen dat ze écht iets leren om iets te kunnen. Kunnen we dan niet ook tegelijkertijd werken aan de vorming van het brein? Niet echt. Gezien het beperkte aantal lesuren voor Frans en Duits is dit helaas niet mogelijk. Doorgaan op de weg die door de critici wordt bepleit, leidt tot de ondergang tenzij we erin slagen om meer lesuren te hebben zodat we een completere aanpak kunnen kiezen die recht doet aan de meerwaarde van het leerproces en aan de wens om te kunnen communiceren in die taal.
Waarom zouden beide doelen niet tegelijkertijd behartigd kunnen worden in de geringe tijd die er op de lessentabel staat? Dit heeft te maken met het andere karakter van het leerproces dat leidt tot resultaat bij een moderne vreemde taal. Als we willen bereiken dat leerlingen de taal na drie jaar echt kunnen gebruiken, moeten we vooral inzetten op automatiseren door veel herhaling. Dit type leerproces maakt gebruik van andere, meer impliciete en inductieve functies zoals ‘statistisch leren’ (patroonherkenning). Dit is vooral een kwantitatief verhaal: Van Ebbinghaus weten we dat we gemiddeld 7 herhalingen nodig hebben voor het proces van automatiseren. Dit kost veel tijd. En die tijd kunnen we niet meer inzetten voor een instrumentele benadering van het leerproces waarbij we vooral de meer expliciete en deductieve functies zoals analyseren, memoriseren en logisch redeneren ontwikkelen.
In een ideale situatie is er meer tijd beschikbaar waarin we aan beide aandacht kunnen geven. Maar helaas is er geen sprake van een ideale situatie. Er zijn domweg te weinig lesuren voor Frans en Duits. Zolang dit het geval is, kunnen we niet anders dan meegaan met de wens van de leerling om een taal te leren om deze uiteindelijk écht te kunnen gebruiken en niet alleen maar te snappen. Als we de situatie van het Engels bekijken wordt duidelijk wat ik bedoel: Door de enorme hoeveelheid extramurale input (leerlingen worden aan veel Engels blootgesteld buiten de school) in combinatie met een tamelijk expliciete benadering op school met veel aandacht voor het toepassen van taalregels, wordt toch nog een alleszins acceptabel niveau bereikt. Leerlingen kunnen na 4/5/6 jaar de taal écht gebruiken.
Alhoewel? Je zou ook kunnen argumenteren dat met een meer impliciete benadering van het leren van Engels op school een beter resultaat wordt bereikt op het gebied van échte communicatie (vervang de grammatica in het boek door meer lezen en luisteren, zoals Leslie Piggott heef gedaan in haar promotie-onderzoek) en dat dit meer in het belang van de leerling is dan het ontwikkelen van analytische vaardigheden die toch ook al aan bod komen bij andere vakken. Soms denk ik dat de door mij genoemde critici toch vooral behoefte hebben om hun eigen belang te dienen: Wat vind ik leuk als docent Frans of Duits? Misschien hetzelfde als wat ik leuk vond als leerling Frans of Duits en later als student Frans of Duits. Want ook dat kun je zien als een vicieuze cirkel: We kiezen wat we leuk vinden. Als de dominante praktijk van het vreemdetalenonderwijs expliciet is en gericht op taalregels, zullen vooral leerlingen in de onderbouw verder willen met deze taal als ze deze praktijk waarderen. En uit deze groep zullen vooral leerlingen willen kiezen om docent te worden als ze deze praktijk waarderen. En zo houdt het systeem zichzelf in stand.
Overigens: niet alleen het leren van een vreemde taal is goed voor het brein maar ook het kunnen spreken van meerdere talen is goed voor het brein getuige de resultaten van onderzoek naar meertaligheid en het effect daarvan op Alzheimer (gemiddeld vier jaar later). Maar dan moeten deze talen wel beheerst worden en regelmatig actief gebruikt worden.
Reactie plaatsen
Reacties